Nico Verbeek – Van Macondo tot Medellín

Waarschijnlijk zijn de twee bekendste Colombianen in de wereld Pablo Escobar en Gabriel García Márquez, de Nobelprijswinnaar die op 17 april 2014 overleed. Hij is de schrijver van het beroemde boek Honderd Jaar Eenzaamheid. Daarin wordt voor het eerst gesproken over Macondo, het fictieve dorp dat Márquez verzon, maar de gebeurtenissen in het boek lijken een verrassend ‘echte’ weergave te zijn van bepaalde episodes uit de Colombiaanse geschiedenis.




De andere wereldberoemde Colombiaan is Pablo Escobar, de drugsbaron en leider van het roemruchte kartel van Medellín, die algemeen wordt beschouwd als de grootste crimineel uit de geschiedenis. Hij werd rijk met het verzenden van cocaïne van Colombia naar de Verenigde Staten en vergaarde zoveel macht dat hij verschillende Colombiaanse presidenten aan het wankelen bracht. Voetbal is niet zomaar een sport in Colombia. Net als in andere Zuid-Amerikaanse landen is de nationale selectie de trots van de bevolking en
een overwinning wordt gevierd alsof de oorlog is gewonnen. De laatste jaren zijn Colombiaanse profvoetballers ook een exportproduct geworden. In Europa zijn de namen van Radamel ‘Falcao’ García, James Rodríguez, Jackson Martínez en Juan Guillermo Cuadrado, begrippen geworden. Dat was in het verleden ook al zo, met legendes als Carlos El Pibe Valderrama (de ‘Witte’ Gullit), Faustino Asprilla en René Higuita, de doelman die wereldfaam kreeg door z’n weinig orthodoxe manier van keepen.




Voetbal is niet alleen belangrijk omdat Colombia daarin als land successen boekt. Ook biedt deze sport talrijke jongens de kans om te dromen van een andere toekomst. Vooral jongens die door de omgeving waarin ze opgroeien, weinig kans hebben op goed onderwijs, een stabiele familie en maar moeten afwachten hoe ze later de kost zullen verdienen. Datzelfde gold voor voetballers als René Higuita, Faustino Asprilla en Leonel Alvarez, die afkomstig waren uit achterstandswijken als Castilla, Popular of Zamora en dankzij het voetbal hun lot een andere wending wisten te geven.

Veel jongens in dergelijke wijken groeien op in eenoudergezinnen en gaan al na de basisschool van school af. Er zijn maar weinig volwassenen die zich om hun toekomst lijken te bekommeren en ook van de overheid hoeven ze weinig te verwachten. De illusie op een dag met voetbal successen te vieren, houdt veel van die jongens op het rechte pad.

Colombia is groot

Colombia is een bijzonder groot land. Het heeft een oppervlakte van maar liefst 1.141.748 vierkante kilometer en is daarmee precies twee maal zo groot als Frankrijk en maar liefst dertig keer Nederland. Colombia is het enige land in Zuid-Amerika dat zowel een kustlijn heeft aan de Stille als aan de Atlantische Oceaan. Door die gunstige ligging in de noordwestelijke hoek van het continent is Colombia de belangrijkste toegangspoort van de regio en al in de koloniale periode waren de havensteden Cartagena en Santa Marta het centrum van een bloeiende handel met Europa. Het land grenst in het noorden aan Panama, een voormalige provincie van Colombia, dat in 1902, met steun van de Verenigde Staten de onafhankelijkheid uitriep, een traumatisch moment in de Colombiaanse geschiedenis.
De langste grens deelt Colombia met Venezuela, het oostelijke buurland, dat aan het begin van de negentiende eeuw korte tijd één natie vormde met Colombia en Ecuador. In het zuidoosten grenst Colombia aan Brazilië, maar de scheidslijn bevindt zich grotendeels in het dunbevolkte en ontoegankelijke Amazonegebied. Ten zuiden liggen Peru en Ecuador. De grensovergang met Ecuador is van groot commercieel belang, aangezien een belangrijk deel van het wegtransport van en naar het zuiden van het continent de grensstad Ipiales passeert. De Colombiaans-Ecuadoriaanse grens is een paradijs voor smokkelaars en geldhandelaars.




Behalve de geografische positie is ook de topografie van Colombia benijdenswaardig. Het Colombiaanse landschap is een unieke combinatie van bergen, laagland, rivierdelta’s en tropisch regenwoud. Colombia is wat biologische diversiteit betreft het tweede land in de wereld: behalve Brazilië is er geen enkel land dat over zoveel verschillende soorten flora en fauna beschikt. Colombia beschikt over grote natuurlijke rijkdommen, zoals goud, olie en steenkool en het is daarom begrijpelijk dat hier de legende van ‘El Dorado’ (de Gouden Stad) zijn oorsprong vindt. Driehonderd jaar lang was Colombia de belangrijkste goud-exporteur ter wereld.

In Colombia zijn vrijwel alle denkbare landschappen te vinden, variërend van het tropisch regenwoud in het departement Chocó aan de Stille Oceaan, waar de hoogste regenval van de planeet wordt geregistreerd, tot aan het hooggebergte van de Siërra Nevada de Santa Marta in het noordoosten, waar zich op 5.775 meter de hoogste piek van Colombia bevindt, de Cristobal Colón. De Oostelijke Laagvlakten, de ‘Llanos Orientales’ is een gebied van oneindige prairies, die in grasland veranderden na het kappen van het regenwoud. Veeteelt is hier traditioneel de belangrijkste bron van bestaan en de llaneros of ‘cowboys’ vormen de belangrijkste beroepsgroep.




Het uitgestrekte Amazonegebied in het zuiden van het land bestaat voor een groot deel uit ongerept regenwoud. Hier stromen talrijke rivieren en riviertjes, zijtakken van de Amazone en de Orinoco, met fraaie namen als de Caquetá, de Putumayo, de Vaupés en de Guaviare. Met het opschuiven van de agrarische grens, de kolonisatie en de uitbreiding van de cocateelt wordt het ecologisch evenwicht echter steeds meer bedreigd.

Colombia is een land van regio’s, die allemaal een andere cultuur hebben. De mensen in het noorden, aan de Atlantische of ‘Caribische’ Kust, hebben aparte gewoontes, spreken Spaans met een ander accent, maken Vallenato-muziek en eten andere gerechten. De mensen in de hoger gelegen uitlopers van het Andesgebergte, in steden als Medellín en Bogotá, zijn cultureel gezien hun tegenpool.
Aan de kust van de Stille Oceaan ligt het departement Chocó, met een heel kleine bevolking en nog minder economische ontwikkeling. De cowboys in de Oostelijke laagvlakten, de salsa-liefhebbers in de tropische Cauca-vallei (met hoofdstad Cali), de inwoners van Pasto, in het extreme zuiden, aan de grens met Ecuador: weer een ander verhaal. Als Colombianen grappen maken gaat het vaak over ‘pastuzos’, inwoners van Pasto, de stad die dichtbij de Ecuadoriaanse grens ligt.

Colombia is daarom eerder een verzameling van regio’s dan één land. Dat komt vooral door de omvang van het land en ook door de ligging van de bergen, waardoor er eeuwenlang nauwelijks contact tussen de verschillende delen van het land mogelijk was. Drie Andes-bergruggen bedekken het land: de Oostelijke, de Centrale en de Westelijke Bergketen en die vormen een moeilijk te nemen hindernis voor elke verbinding over land. Om die reden ontwikkelden de regio’s van het land zich door de jaren heen als aparte culturen. Daarom schreef de beroemde Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges eens dat Colombia geen echt land of ‘natie’ is, maar eerder een acto de fé, een geloofsdaad. Alleen als de nationale voetbalselectie speelt, voelt Colombia zich, 90 minuten lang, één land.




Volgens het DANE, het Colombiaanse statistiekbureau, had Colombia in 2013 een bevolking van 47.121.089 inwoners. In de hoofdstad Bogotá woonden toen 7,5 miljoen mensen. Andere miljoenensteden zijn Medellín, Cali en de havenstad Barranquilla. De twee belangrijkste steden van Colombia liggen op grote hoogte: Bogota op 2.600 meter boven zeeniveau en Medellín op 1.500 meter. Het grootste deel van de Colombiaanse bevolking woont van oudsher in het middelgebergte of in het hooggebergte.

De geschiedenis van Colombia: veel meer dan Honderd Jaar Eenzaamheid

Net als de rest van Zuid-Amerika, met uitzondering van Brazilië, Suriname, Brits en Frans Guyana, was Colombia tot aan het begin van de negentiende eeuw een Spaanse kolonie. Vooral dankzij Simon Bolivia, El Libertador (de Bevrijder), werden de landen uit de regio onafhankelijk. In 1819 werden de Spanjaarden definitief verslagen en werd de republiek van Groot-Colombia uitgeroepen. De nieuwe natie bestond uit de voormalige koloniën Venezuela, Ecuador en Nieuw Granada, zoals Colombia in de koloniale tijd heette. Het ideaal van Simon Bolívar was om van de verschillende kolonies één natie te maken, waarbij hij nadrukkelijk het voorbeeld van de Verenigde Staten voor ogen had. Het Groot-Colombiaanse ideaal was echter geen lang leven beschoren: de federatie viel al snel uit elkaar en de verschillende naties gingen hun eigen weg, tot grote spijt van Bolívar.



Colombia is een land met een gigantische oppervlakte, maar in de negentiende eeuw was er nauwelijks sprake van een nationale eenheid. Er was weinig contact tussen de verschillende delen van het land en de meeste regio’s waren zelfvoorzienend. Primitieve landbouw was de belangrijkste economische bezigheid, met daarnaast mijnbouw en wat lokale ambachtsnijverheid. Politiek gezien was Colombia verscheurd door de strijd tussen twee politieke partijen die waren ontstaan uit facties die om de onafhankelijkheid hadden gestreden: de Conservatieve en de Liberale partij.
Regelmatig ontaardde de politieke strijd in een openlijke burgeroorlog, zoals gebeurde tijdens de Oorlog van de Duizend Dagen (1899-1902). Het was de meeste vernietigende en bloedige oorlog die er tot op dat moment op het Amerikaanse continent was uitgevochten. Naar schatting honderdduizend mensen kwamen om het leven, wat een bijzonder hoog aantal is op een bevolking van rond de vier miljoen.
Een onvoorzien gevolg van de oorlog was het verlies van Panama, tot dan toe een Colombiaanse provincie, dat zich met behulp van de Verenigde Staten van Colombia afscheidde. De Amerikaanse regering onderhandelde liever met een zwakke, onafhankelijke staat als Panama over het graven van een Panama-Kanaal dan met een groot land als Colombia. De machtsverhoudingen in de regio waren definitief veranderd: niet langer Engeland en Spanje, maar de Verenigde Staten was voortaan de mogendheid die de dienst uitmaakte.

De bekendste held uit de Oorlog van de Duizend Dagen was de liberale generaal Rafael Uribe Uribe, die eerst in opstand kwam tegen de conservatieve regering en die het, toen de militaire strijd verloren was, opnam voor de onderdrukten in het land, voor de stemloze massa’s, voor de landloze boeren en voor de arbeiders in de stad. Die in zijn beide missies weinig succesvol was, maar die tegenwoordig in bijna elke belangrijke Colombiaanse stad aanwezig is met een standbeeld. Die voor de volksmassa’s een held was, maar die door de conservatieven werd beschouwd als een gevaarlijke cryptocommunist. Rafael Uribe Uribe werd in 1914 in Bogotá door werkeloze arbeiders vermoord.




Op indirect wijze heeft generaal Uribe Uribe wereldbekendheid gekregen, al gebeurde dat lang na zijn dood. Hij stond model voor de figuur van kolonel Aureliano Buendía, hoofdpersoon uit de roman Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel García Márquez. In deze roman verhaalt de schrijver over een dorp, Macondo, en over een kolonel Buendía, die 32 gewapende opstanden begon en ze allemaal verloor. Die ontsnapte aan 14 aanslagen, 73 hinderlagen en een vuurpeloton. Die een dosis zwaar vergif overleefde, voldoende om een paard te doden. Die commandant-generaal werd van de liberale revolutionaire strijdkrachten, met een grondgebied onder zijn macht dat zich uitstrekte van de ene grens tot de andere en die jarenlang
de meest gevreesde man van de nationale regering was, maar die nooit toestond dat er een foto van hem werd genomen… Macondo is waarschijnlijk het bekendste dorp in Colombia, hoewel het niet terug te vinden is op de landkaart. Gezien de geografische aanwijzingen in het boek moet het dorp ergens in de buurt van Aracataca liggen, het geboortedorp van García Márquez, niet ver van de Atlantische kust. De talrijke historische verwijzingen in de roman maken het fictieve dorp tot het centrum van een verbazend realistisch Colombia. Macondo is gemakkelijke op te vatten als de metafoor van een willekeurig Colombiaans dorp, waaraan een eeuw Colombiaanse geschiedenis voorbij trekt.

Het is ook aan de noordelijke kust, het land van Macondo en van Carlos ‘El Pibe’ Valderrama, waar het voetbal, van oorsprong een Engelse uitvinding, Colombia binnenkomt. Colombia kwam pas relatief laat met het voetbal in aanraking, want het land kende niet de grote toevloed van Europese immigranten van landen als Argentinië, Uruguay en Brazilië. Daar was de sport meegereisd met de Britse immigranten die in de tweede helft van de negentiende eeuw naar het zuiden van het Amerikaanse continent migreerden en de talrijke Engelse namen van de voetbalclubs daar (River Plate, Arsenal, Racing…) laten zien hoe belangrijk de Britse invloed was.




Hoewel er weinig precieze gegevens over de oorsprong van het voetbal in Colombia voorhanden zijn, wordt aangenomen dat de Atlantische Kust een belangrijke rol heeft gespeeld in de pioniersfase. Vanuit havensteden als Barranquilla en Santa Marta werden aan het begin van de twintigste eeuw de eerste spoorlijnen aangelegd, die de kust met het binnenland verbonden. Bij de aanleg van die spoorwegen waren Engelse aannemers, ingenieurs en arbeiders betrokken. Om de vrije tijd door te komen organiseerden ze wedstrijdjes die geleidelijk de interesse opwekten van de lokale jeugd.

Volgens historicus Mike Urueta uit Barranquilla zou op 6 augustus 1904 in die stad de eerste officiële voetbalwedstrijd hebben plaatsgevonden. In 1908 werd Barranquilla Fútbol Club opgericht, die wordt beschouwd als de oudste voetbalclub van Colombia. Maar die club bestaat niet meer en daarom is Deportivo Independiente Medellín (DIM), dat als sinds 1913 bestaat, de oudste club van het land. De meest succesvolle club uit Medellín is Atlético Nacional, dat veertien keer kampioen werd. Ook wist Nacional in 1989, met sterspelers als Andrés Escobar, René Higuita en Leonel Alvarez, de Copa Libertadores te winnen, het belangrijkste toernooi in Zuid-Amerika.




Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog was Colombia, ondanks het beleid van de liberale regeringen uit de jaren dertig, nog weinig veranderd in vergelijking met het Colombia van rond 1900. De maatschappij behield haar scheve sociale structuur, bijna drie vierde van de bevolking bestond uit boeren, van wie de helft ongeletterd was en een elite van drie procent van de bevolking was eigenaar van de helft van de landbouwgrond. Het Colombiaanse politieke systeem was volledig gesloten en werd gedomineerd door de Liberale en de Conservatieve partij, die regelmatig tegen elkaar ten strijde trokken.
Al die jarenlange opgekropte haat culmineerde uiteindelijk in La Violencia, de niet-verklaarde burgeroorlog die Colombia teisterde van 1946 tot 1966. Alles bij elkaar zouden naar schatting 300.000 Colombianen het leven verliezen, veelal op een bijzonder onaangename wijze. De aanleiding voor de burgeroorlog was de moordaanslag op Jorge Eliécer Gaitán, een linkse dissident van de Liberale partij, die over brede steun onder de arme bevolking beschikte.




Na de moord op Gaitán, op 9 april 1948, veranderde de hoofdstad Bogotá in een compleet slagveld: kerken, trams en publieke gebouwen werden in brand gestoken, gevangenissen geopend en winkels geplunderd. Honderden mensen kwamen om het leven en de oude binnenstad werd zo goed als vernield. Het oproer verspreidde zich over het gehele land, en overal stonden liberalen en conservatieven elkaar naar het leven.

De burgeroorlog leidde tot een totale sociale ontwrichting van het leven op het platteland. De traditionele politici bleken niet in staat het geweld, dat ze zelf hadden ontketend, een halt toe te roepen. Het leger, dat steeds een belangrijke machtsfactor op de achtergrond vormde, greep uiteindelijk in. Op 13 juni 1953 nam de commandant van de strijdkrachten, generaal Gustavo Rojas Pinilla, de macht over.

Paradoxaal genoeg was de militaire coup van Rojas een van de meest vreedzame en gevierde regeringswissels uit de Colombiaanse geschiedenis. De nieuwe regering beloofde amnestie voor politieke gevangenen en guerrillastrijders en het herstel van de persvrijheid. De partijkleuren blauw en rood, symbolen van de partijhaat, werden vervangen door de nationale driekleur (geel, blauw en rood). Rojas’ belangrijkste succes was het ontwapenen van een groot deel van de liberale guerrillastrijders, die eerder door de conservatieve regering als ordinaire bandieten waren beschouwd. Hij was echter minder geïnteresseerd in verzoening met de communistisch
georiënteerde guerrillastrijders, die vooral sterk waren in de omgeving van Sumapaz, een bergachtige streek ten zuiden van Bogotá. Vanaf 1955 verscherpte de dictatuur zich en de kritische pers werd aan banden gelegd. De twee traditionele partijen, de Liberalen en de Conservatieven besloten samen te werken om de dictatuur omver te werpen en de macht onderling te delen. Dit pact kreeg de naam van ‘Nationaal Front’. De partijen maakten afspraken over de verdeling van de macht: zestien jaar lang zouden ze alle belangrijke bestuursposten, zoals het presidentschap, fiftyfifty verdelen.

Hoewel het Nationaal Front een einde maakte aan de (openlijke) oorlog, vormde het monsterverbond de basis voor het corrupte, cliëntelistische en slechts in naam democratische politieke systeem, waar Colombia nog steeds mee zit. Politieke bewegingen buiten de twee partijen kregen nooit een echte kans, wat ertoe bijdroeg dat velen het gewapende verzet van de linkse guerrillagroepen als enige ‘echte’ politieke alternatief gingen beschouwen.




In de jaren zestig ontstonden verschillende guerrillagroeperingen. Het ELN (Nationale Bevrijdingsleger) werd in 1964 opgericht en vestigde zich in Magdalena Medio, vooral rond de olievelden van Barrancabermeja in het departement van Santander, een zone met een lange geschiedenis van volksagitatie en kolonisatie. Ondanks de veelbelovende revolutionaire basis, slaagde het ELN er echter niet in veel steun onder de bevolking te winnen en ze overleefde in de eerste fase met de steun die ze kreeg uit Cuba en met de inkomsten uit de afpersing van boeren en oliemaatschappijen.
In tegenstelling tot het ELN, hebben de FARC (Revolutionaire Gewapende Strijdkrachten van Colombia) hun bestaan niet te danken aan de Cubaanse revolutie. Deze guerrilla kwam voort uit militanten van de Liberale partij die in 1948, toen de burgeroorlog uitbrak, de bergen in vluchten, om te ontkomen aan vervolging door het conservatieve regiem. Toen de liberale guerrillastrijders een paar jaar later amnestie kregen, was er een radicale groep die daar niet op in ging en zich verbond met de (toen ondergrondse) Communistische Partij en door bleef vechten. Tot op de dag van vandaag…

Een derde belangrijke guerrillagroepering was de M-19, Movimiento 19 de abril. De naam verwijst naar 19 april 1970, toen presidentskandidaat Misael Pastrana namens de Conservatieve partij de verkiezingen won, ten koste van voormalig sterke man Rojas Pinilla. Dat gebeurde volgens velen op frauduleuze wijze en als protest werd M-19 opgericht, een stedelijke guerrillagroepering.
De eerste regering die werkelijk probeerde om een bestand te bereiken met de guerrillagroeperingen in het land, was die van president Belisario Betancur (1982-1986). Hij bood de guerrilla amnestie aan en een wapenstilstand. Maar de vredesonderhandelingen met de FARC en M-19 liepen uiteindelijk op niets uit en vanaf de tweede helft van de jaren tachtig ging de oorlog tussen regering en guerrilla weer ‘gewoon’ verder.

In november 1985 werd Colombia slachtoffer van een grote natuurramp. Door de uitbarsting van de vulkaan Nevado del Ruiz werd het stadje Armero volkomen van de aardbodem gevaagd. Midden in de nacht kwam een metersdikke modderstroom via een aantal riviertjes omlaag en voordat de inwoners konden vluchten, was de hele stad al bedekt met een metersdikke laag modder. De lawine sleurde alles op haar tocht mee en van het stadje bleef niets meer over. Naar schatting 25 duizend mensen kwamen om het leven.




Een van de slachtoffers was Omaira Sánchez, een dertienjarig meisje dat de ramp had overleefd, maar op ongelukkige wijze met haar benen klem was komen te zitten tussen de ruïnes van de stad. Alleen haar hoofd stak boven de zee van modder uit. Beelden van Omaira gingen drie dagen lang de wereld over. Pogingen om haar te bevrijden mislukten en uiteindelijk stierf ze voor de ogen van miljoenen tv-kijkers.
In de jaren tachtig kwam de drugshandel op en die begon de Colombiaanse maatschappij steeds meer te ontwrichten. Verschillende maffiagroepen, onder andere het kartel van Medellín en het kartel van Cali, kregen steeds meer macht, zorgden ervoor dat corruptie en geweld toenamen en dat Colombia steeds meer in de greep raakte van de maffiose cultuur van het ‘snelle geld’.
Op 18 augustus 1989 werd de liberale presidentskandidaat Luis Carlos Galán door huurmoordenaars van het kartel van Medellín doodgeschoten. In datzelfde jaar kwamen nóg twee andere presidentskandidaten om het leven. De jaren die volgen behoren tot de bloedigste uit de recente Colombiaanse geschiedenis. De leider van het kartel van Medellín, Pablo Escobar, slaagde erin de regering van president Cesar Gaviria aan het wankelen te brengen door een combinatie van infiltratie in staatsinstellingen en nietsontziend geweld. De drugbaron werd uiteindelijk op 2 december 1993 door de Colombiaanse politie uitgeschakeld.

De jaren negentig lieten ook de opkomst zien van de zogenaamde paramilitairen, gewapende organisaties die werden opgericht om tegenwicht te bieden aan de toenemende macht van de FARC en het ELN. Hun strijd tegen de guerrilla was echter vooral een voorwendsel, een rechtvaardiging om gewapenderhand hun territoriale macht te kunnen vergroten. Paramilitairen waren ‘gewone’ drugshandelaren die hun militaire macht gebruikten om complete regio’s van het land in te nemen, meestal in samenwerking met traditionele politici, met wie ze een alliantie aangingen. Het paramilitaire project slaagde er wel in om de opmars van de FARC in verschillende delen van het land tot staan te brengen, wat meestal gepaard ging met massamoorden en het verdrijven van boeren op het platteland.

In 1998 werd Andrés Pastrana tot president gekozen, met de verkiezingsbelofte (opnieuw) vredesonderhandelingen te beginnen met de guerrilla van de FARC. Van 1999 tot 2002 vonden er vredesbesprekingen plaats in El Caguán, een regio in het zuidoosten van het land ter grootte van Nederland, dat voor de gelegenheid gedemilitariseerd werd en waar de FARC het drie jaar lang voor het zeggen kreeg.
Het leidde niet tot de zo verlangde vrede, maar wél tot een diep ressentiment bij de meerderheid van de Colombianen, die het gevoel hadden door de guerrilla voor de gek te zijn gehouden. Want de FARC was helemaal niet van plan geweest om tot een vredesakkoord te komen, maar gebruikte de zone om zich militair en politiek te versterken, aanslagen en militaire acties voor te bereiden, coca te zaaien en om ontvoerden te verbergen.




Als reactie hierop werd in 2002 Alvaro Uribe tot president gekozen. Hij was eerder gouverneur van het departement van Antioquia geweest en een van de felste tegenstanders van onderhandelingen met de FARC. Hij beloofde de guerrilla met harde hand aan te pakken. In 2008 werden in die strijd grote successen geboekt: belangrijke commandanten werden uitgeschakeld en op 2 juli van dat jaar werden Ingrid Betancourt en veertien andere personen, die eerder door de FARC waren ontvoerd, in een spectaculaire operatie (Operación Jaque) van het Colombiaanse leger bevrijd.

Sinds november 2012 onderhandelt de Colombiaanse regering van president Juan Manuel Santos (2010-1014) opnieuw met de FARC over vrede. De besprekingen vinden plaats in Havanna, de hoofdstad van Cuba. Er is voorzichtige hoop dat er nu eindelijk, na vijftig jaar, een einde komt aan de burgeroorlog.

Medellín – De Stad die zich opnieuw uitvond

Medellín is qua inwonersaantal en economisch belang de tweede stad van Colombia en hoofdstad van het departement Antioquia. De stad ligt in de Aburrá-valei op een hoogte van 1500 meter boven zeeniveau, in de Centrale Bergrug, een van de drie uitlopers van het Andesgebergte. De stad heeft, dankzij die ligging, een aangenaam klimaat en een gemiddelde temperatuur van 23 graden en staat in Colombia bekend als ‘de stad van de eeuwige lente’. De inwoners van Medellín worden ook wel paisas genoemd.

De stad heeft een bevolking van tweeënhalf miljoen inwoners. Samen met randgemeenten die naast Medellín in de Aburrá-valei liggen, zoals Envigado, Sabaneta, Itaguí en Bello, telt de metropoolregio drieënhalf miljoen inwoners. Net als in de meeste steden van de Derde Wereld, is er een grote economische ongelijkheid onder de bevolking en vind je er dure wijken als El Poblado en Laureles, met sjieke winkelcentra en luxueuze flatgebouwen, naast barrios populares, achterwijken aan de rand van de stad die worden gekenmerkt door armoede, werkeloosheid en geweld.




De Aburrá-vallei werd in 1541 ‘ontdekt’ door de troepen van maarschalk Jorge Robledo, een van de Spaanse conquistadores (veroveraars) die vooral op zoek waren naar goud. Daarom kun je op verschillende plekken in de stad een standbeeld van deze Robledo aantreffen en er is zelfs een belangrijke wijk naar hem genoemd. De stad Medellín werd officieel gesticht in november 1675 onder de naam ‘Villa de Nuestra Señora de la Candelaria de Medellín’.
De groei van de koloniale nederzetting was aanvankelijk erg langzaam en de belangrijkste stad in de koloniale tijd was Santa Fe de Antioquia, religieus en politiek centrum, gelegen aan de belangrijke Cauca-rivier. Medellín had echter het voordeel van een prettig klimaat, de beschikbaarheid van water, de vruchtbaarheid van de bodem en een strategische ligging. In 1826 werd Medellín uitgeroepen tot hoofdstad van het departement Antioquia.

Medellín was echter ook een geïsoleerde stad, aan alle kanten omringd door bergen, en had tot ver in de negentiende eeuw weinig contact met andere regio’s van het land. Lange tijd waren er geen fatsoenlijke wegen en een reis naar steden als Bogotá, Cali of Cartagena kon dagen duren. Dat verklaart ook het wat regionalistische en chauvinistische karakter van haar inwoners, die bijzonder trots zijn op hun stad en hun cultuur en de voorkeur geven aan het ‘eigene’ boven het ‘vreemde’.

Rond 1900 groeide de bevolking explosief. Van 20.000 in 1870 tot 140.000 in 1938, en de stad behoorde daarmee op dat moment al tot een van de twintig grootste steden van Latijns Amerika. Hoewel Medellín geen havenstad is, groeide de stad in die periode uit tot een commercieel en industrieel centrum. Belangrijk was de handel in koffie en goud en vanaf 1910 ontwikkelde zich ook een industrie, met verschillende textielfabrieken, schoenfabrieken en tabaksfabrieken. Vooral de textielfabrieken trokken arbeiders aan uit het omliggende platteland, die in grote getalen naar Medellín migreerden.

In 1932 al kreeg de stad een luchthaven, Olaya Herrera, gelegen in het zuid-westen van de stad, in de huidige wijk Belén. De eerste luchtvaartmaatschappij was de CCNA, Compañía Colombiana de Navegación Aérea. Die werd opgericht in september 1919, een maand eerder dan de KLM, een van de oudste nog bestaande luchtvaarbedrijven ter wereld. Colombia is een enorm groot land, met een geaccidenteerde geografie en de luchtvaart werd vanaf het begin gezien als een mogelijkheid om de regio’s en steden met elkaar te verbinden.
In 1950 werd een eerste poging ondernomen om de stad te plannen, aan de hand van het Plan Piloto de Medellín, dat was ontwikkeld door twee buitenlandse architecten. De rivier werd gekanaliseerd, er werd controle uitgeoefend op de nederzettingen op de bergflanken en er werd een groot voetbalstadion gebouwd, het Atanasio Girardot. Vóór deze tijd moesten de voetbalploegen van de stad, DIM en Atlético Nacional, hun wedstrijden spelen op plaatsen die niet zo geschikt waren voor voetbal, zoals op de paardenrenbaan van San Fernando in Itaguí.

Maar de stadsplannen werden al snel achterhaald door de enorme toename van de bevolking, die zich in twintig jaar verdrievoudigde: van 350.000 in 1951 tot al meer dan een miljoen in 1973. Dit had onder andere te maken met de grote toestroom van mensen uit het omringende platteland, die in de stad meer mogelijkheden zagen voor hun toekomst en ook vaak gevlucht waren voor het geweld van de burgeroorlog. De woningbouw was ongeordend en vooral in het buitenste gedeelte van de stad, op de flanken van de bergen, ontstonden de barrios populares.

De belangrijkste inkomstenbron voor veel inwoners was de textielindustrie, onder andere de bedrijven Coltejer en Fabricato verschaften veel werkgelegenheid. Toen de textiel in de jaren zeventig in een crisis raakte, had dit grote sociale gevolgen. De werkeloosheid nam toe en daarmee ook de criminaliteit en de onveiligheid. Het was ook in deze tijd dat eerst de smokkel van sigaretten en elektrische apparaten en meteen daarop de drugshandel als alternatief opkwam voor duizenden personen die zonder werk zaten en geen ander alternatief zagen.

Rond 1975 werd het later wereldwijd beruchte kartel van Medellín opgericht, een organisatie van drugshandelaren die in de eerste jaren van haar bestaan vrijwel onbegrensd haar gang kon gaan en daarom gemakkelijk tot in alle sectoren van de maatschappij kon doordringen. De belangrijkste vertegenwoordigers van deze maffiagroep waren de Ochoa-broers, Gonzalo Rodríguez Gacha en de beroemdste van allemaal, Pablo Escobar.
Escobar was begonnen als autodief en grafschender, maar kwam er al snel achter dat met de smokkel van cocaïne naar de Verenigde Staten veel geld te verdienen was. Dat hij in zijn ‘branche’ al vrij snel werd erkend als de baas der bazen, was vooral te danken aan zijn meedogenloos optreden en bereidheid veel geweld te gebruiken.

Pas in 1984 kwam de eerste reactie van de autoriteiten op de toenemend penetratie van de maffia in de maatschappij, maar toen was het eigenlijk al te laat. De macht van de drugsbaronnen, die het samen met de traditionele politieke klasse op een akkoordje hadden gegooid, was nauwelijks nog terug te draaien. Toen Escobar in april 1984 de toenmalige minister van justitie liet vermoorden, kwam er voor het eerst een reactie van de regering. President Betancur begon de maffia te vervolgen en dreigde de drugsbaronnen met uitlevering aan de Amerikaanse justitie, in feite het enige waar ze bang voor waren.

Het gevolg was een harde confrontatie tussen het kartel van Medellín en de Colombiaanse Staat, in de periode 1984-1993, waarbij vooral in de stad Medellín duizenden slachtoffers vielen. Pablo Escobar zette zich aan hoofd van een terroristische campagne, waarbij willekeurig geweld niet werd geschuwd. In die periode was in Medellín niemand z’n leven veilig en iedereen kon slachtoffer worden van een autobom of aanslag van Escobars sicarios (huurmoordenaars).
De macht van Pablo Escobar was gebaseerd op een leger van dergelijke sicario’s, die hij rekruteerde in de buitenwijken van de stad, de buurten die van oudsher de grootste problemen kenden. In deze wijken is vaak meer dan de helft van de bewoners werkloos, de rest verdient zijn brood als dagloner of ambulant verkoper, moeders en dochters werken als huishoudsters in de betere wijken. Kinderen hier maken vaak niet eens de basisschool af, laat staan de middelbare school.

Van oudsher organiseerden jongeren in deze wijken zich in zogenoemde pandillas (jeugdbendes), een normaal fenomeen in marginale wijken van Derde Wereldsteden, waar armoede en criminaliteit eendrachtig samengaan. Door het contact met de drugsorganisaties ontstond in Medellín echter een bijzonder fenomeen, dat van de sicario’s, de ‘kinderen die doden’.

De opkomst van de drugshandel en de maffia vond plaats in een periode dat de traditionele instituties hun geloofwaardigheid volkomen hadden verloren. De politieke partijen waren corrupt en hadden geen enkele band met de bevolking, de kerk verloor haar geestelijk leiderschap en de Staat schitterde in alle opzichten door afwezigheid. De bewoners in de wijken hadden het gevoel dat ze volkomen op zichzelf waren aangewezen.

De ‘nieuwe rijken’ van de drugsindustrie profiteerden van deze situatie en begonnen een belangrijke rol op te eisen. Ze wierpen zich op als de belangenbehartigers van de arme buurten, ze sponsorden sportactiviteiten en ze reactiveerden een speciaal religieus gevoel. Ze werden een voorbeeld voor de jeugd en een jonge generatie, die was opgegroeid zonder hoop en idealen en die zich maar al te graag identificeerde met deze succesvolle ondernemers.

De verleiding van het ‘snelle geld’ vormde de belangrijkste corrumperende factor. In de sloppenwijken van Medellín was de ambitie van een werkeloze jongere niet om taxichauffeur te worden of straatverkoper, maar om lid te worden van een van de fameuze bendes, zoals de Magnificos, de Nachos of de Priscos. Een vaderfiguur ontbrak overigens bijna altijd in dergelijke gezinnen: de jongens kenden hun vader niet of van héél vroeger. Ze vereerden daarentegen hun moeder en zochten een vaderfiguur elders, niet zelden was dat een bendeleider die het gemaakt had of een ‘nieuwe rijke’. Pablo Escobar was een typisch voorbeeld van zo’n ondernemer die werd aanbevolen door moeders en werd vereerd door haar zonen.

Het was in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw dat Medellín wereldwijd bekendheid kreeg als de stad van het geweld en het centrum van de maffia. Dat mag vooral Pablo Escobar zich aanrekenen, want hij heeft er als geen ander voor gezorgd dat Medellín wereldwijd vereenzelvigd wordt met dit beeld van een stad in oorlog, een stad van sicario’s, van misdaad, een stad die je beter kunt mijden.

Dit alles veranderde aan het begin van de 21ste eeuw. Een nieuwe generatie van stadsbestuurders en politici kreeg het roer in handen en begon het aanzien van de stad ingrijpend te veranderen. En tegelijk met deze succesvolle metamorfose, veranderde geleidelijk ook het imago van Medellín. Tegenwoordig is de stad een trekpleister voor toeristen en buitenlandse investeerders, en krijgt ze mondiale bekendheid als internationaal centrum voor congressen en bijeenkomsten.
In oktober 2012 werd Medellín door Internet-gebruikers gekozen tot de meest innovatieve stad ter wereld. De aanleg van een uitgebreid en efficiënt openbaar- vervoersysteem heeft het leven van de stadsbevolking ingrijpend veranderd. Er is een goed functionerende bovengrondse metro, die aansluit op twee enorme kabelbanen die hoger gelegen sloppenwijken ontsluiten. Het allernieuwste is een enorme openlucht roltrap en in bepaalde (vlakke) gedeeltes van de stad kun je tegenwoordig ook fietsen huren, waarvoor je niet eens hoeft te betalen.

Het is een grote omslag. Aan het einde van de vorige eeuw stond Medellín bekend als de hoofdstad van de misdaad, met ongekende geweldscijfers. Tussen 1975 en 2010 kwamen in de stad maar liefst 90.000 personen op een gewelddadige manier om het leven, ongekend hoog voor een gebied waar officieel geen oorlog is. In die periode werden gemiddeld meer dan drieduizend moorden per jaar geregistreerd, drie keer zoveel als in de meest gewelddadige steden in Mexico nu.

De man die de aanzet gaf tot de omwenteling is Sergio Fajardo, burgemeester van 2004 tot eind 2007. Het aanzien van de stad veranderde. Er werden projecten ontworpen voor mensen uit de marginale wijken van de stad, wat vroeger nooit gebeurde. Zo werd er veel geld geïnvesteerd in het verbeteren van onderwijs door de bouw van nieuwe scholen en opvangplaatsen. En overal in de stad werden bibliotheek-parken aangelegd, voorzien van computers met snelle internetverbinding, filmhuizen en muziekpodia.

De verbetering van de infrastructuur richtte zich niet op het aanleggen van méér en grotere autowegen, zoals vroeger, maar had als doel de sociale ‘insluiting’ van inwoners uit de marginale wijken. De aanleg van een kabelbaan van metrostation Acevedo naar Santo Domingo, een wijk die jarenlang alleen in het nieuws kwam vanwege de bendeoorlogen, zorgde voor een omslag in die wijk. Niet langer hoefden inwoners uren in een gammele bus te zitten als ze naar hun werk gingen in het centrum van de stad, want nu waren ze binnen twintig minuten op de plaats van bestemming.

De nieuwe projecten richtte zich vooral op bevolkingsgroepen die in de jaren tachtig en negentig slachtoffer waren geworden van het drugsgeweld en de sociale problemen die ermee gepaard gingen. Die woonden vooral in die wijken waar Pablo Escobars sicario’s jarenlang de scepter hadden gevoerd en waar het grootste deel van de 90.000 slachtoffers waren gevallen.
Volgens een recente studie, uitgevoerd door de Kamer van Koophandel, is Medellín de Colombiaanse stad met de beste economische concurrentiepositie van het land, nog boven Bogotá. Maar Medellín, de meest innovatieve stad ter wereld, is ook de meeste ongelijk stad van het land, gemeten naar de Gini-coëfficiënt. De stad heeft nog steeds een armoedecijfer van 22% en dit leidt er toe dat nog steeds duizenden mensen zich inlaten met de misdaad, vooral met de drugshandel.

Voor de gemiddelde burger is de kwaliteit van leven in Medellín ongetwijfeld hoger dan in veel andere steden van Colombia en Latijns Amerika. Er is goed openbaar vervoer, inwoners hebben een grotere kans om in aanmerking te komen voor sociale woningbouw en hebben toegang tot scholen en bibliotheken. En dankzij Energiebedrijf EPM heeft maar liefst 97 procent van de woningen in de stad een goede aansluiting op water en elektriciteit.

Ondanks een beter bestuur en het investeren in de armere buurten van de stad, zijn er echter nog steeds duizenden jongeren die buiten de boot vallen en door verschillende redenen op straat belanden. Weinig onderwijs, gebroken gezinnen en te weinig steun uit hun directe omgeving zijn factoren die er toe bijdragen dat hun leven ontspoort. Die jongeren verdienen alle steun die ze kunnen krijgen.

Nico Verbeek

Verbeek is een in Medellín woonachtige Nederlander die boeken schrijft met Colombia als onderwerp. Hij is de auteur van boeken zoals Pablo Escobar: de zoektocht naar de man achter de mythe, Eigen Doelpunt, íngrid Betancourt: De vrouw die president wilde worden en De Wrekers Van Medellin. Verbeek heeft meegewerkt aan de content van deze website. Uit deze tekst mag niets gekopieerd worden, tenzij hier uitdrukkelijk toestemming voor is verleend.

Schaf hier de boeken van Nico Verbeek aan bij Bol.com